Na het emotionele uitwuiven van Jolien, kon onze reis beginnen. Niet dat dat zo snel verliep, want er stond ons nog een wachtperiode van een paar uur voor de deur. Een paar uur later mochten we dan beginnen aan onze 8,5 uur durende vlucht richting Atlanta waar we onze overstap zouden maken. Om niet te moeten delen in onze verveling slaan we dit deel dus maar over. Aangekomen in Atlanta gingen de oogjes van Frederik ineens fonkelen, hij ontdekte de Panda Express chinees, waar hij mooie herinneringen aan had. Omdat we hier op de luchthaven toch ook 4 uur moesten wachten hebben we ons dan ook maar tegoed gedaan aan een flinke menu. Na nog een beetje verveling was het dan tijd om op de vlucht naar Quito te springen. Hier troffen we ons eerste goud: privé schermpjes voor iedereen! Dat maakte onze vlucht van ongeveer 6 uur ineens een beetje interessanter, filmpjes kijken a volonté. Op wat doorzitwonden na was de vlucht dan ook om zonder dat we het beseften. Aangekomen in Quito was het dan opnieuw aanschuiftijd geblazen, een uurtje in de rij staan voor de immigratiecontrole was onze beloning. Daarna mochten we eindelijk onze bagage ophalen, en dachten we yes we zijn er, maar neen ze hadden nog een verassing voor ons … . Alle bagage moest en zou nog een keer bestraald worden, meer nut had de controle niet, want er was niemand die het schermpje bekeek. Nog een half uur later mochten we dan eindelijk naar buiten, waar onze chauffeur ons stond op te wachten. Deze bracht ons dan naar een hotel waar we een deel van onze bagage konden achterlaten. Eenmaal de bagage gesorteerd konden we dan terug naar de luchthaven om nog wat meer te wachten. Dat bracht ons op het idee om nog wat te eten om ons bezig te houden. 4 uur later was het dan tijd om ons vliegtuig te gaan zoeken, niet zo een eenvoudige taak bleek later. We sto
nden eerst braafjes in de rij voor de check-in. Een kwartiertje later bleek dat we volledig ergens anders moesten zijn, maar niemand spreekt engels dus was dit een beetje gokken waar. Er werd naar buiten gewezen, dus liepen we maar naar buiten. Een deur verder dan maar dachten we, maar ook g-hier geen geluk, volgende deur dan maar, en opnieuw mis. Zo nog 3 keer tot we uiteindelijk de juiste deur vonden. Alles zag er hier ineens wat kleinschaliger uit, en dat bleek ook toen we na
nog een half uurtje wachten richting ons vliegtuigje mochten gaan. Dit was een prachtig stukje propellorvliegtuig, wat de ervaring extra mooi zou maken. Tijdens het half uurtje vliegen kon Frederik een paar mooie foto’s uit het raampje nemen. Aangekomen in Coca werd het ineens nog kleinschaliger. De aankomsthal was welgeteld 6m op 4 met een groot gat in de muur waar ze handmatig onze bagage kwamen afleveren. Buiten stond ook onze taxi al klaar om ons naar de overzetboot te brengen. Anderhalf uurtje hobbelen op slechte wegen en kiezelpaden kwamen we daar aan. Opnieuw niemand die engels sprak, maar er werd ons duidelijk gemaakt dat er meerdere aanmeerplaatsen aan de overkant waren, waar wij dus niets
van afwisten. Een beetje gebarentaal later wist onze boot dan toch waar we moesten zijn en kregen we een privé overzet. Aan de overkant belandden we in een of ander militair bewaakte loods, en mocht onze bagage nogmaals ontsmet worden met wat radioactiviteit. Ook de metaaldetector was een vrij nutteloos verhaal, want deze piepte bij iedereen, maar daar werd niet naar omgekeken. Daarna mochten we naar buiten waar we elkaar aankeken,
en zeiden, en nu ? Er was hier niemand om ons op te wachten. Er zat een groepje Ecuadoranen, en die hadden de vraag: “Katholica of San Francisco?”. Opnieuw keken Frederik en ik elkaar aan, en dachten we, wat nu weer … . Dan maar proberen te bellen naar het het research station. De gsm had daar natuurlijk geen ontvangst, maar er bleek ergens een ‘Cabina telefonica’ te zijn. Dus Frederik daar naartoe, bijna achternagezeten door een para met machinegeweer in aanslag, maar deze werd gelukkig tegengehouden door een man uit het groepje met de vreemde vraag. Een beetje later stopte een 4×4, waar gelukkig een man uitstapte met op zijn polo het logo van het research station.
Opgelucht stapten we in en vertrok ons anderhalf uur durend tripje richting het centrum. Dit leek helemaal niet lang, omdat we onze ogen konden uitkijken op de prachtige, doch door illegale urbanisatie een beetje vernielde, natuur. Een beetje later zei de chauffeur dat hij een slang had gezien, maar we kregen hem niet duidelijk gemaakt dat hij even moest terugrijden zodat we wat konden fotograferen. Een beetje verderop kwamen we al een paar roofvogels tegen, en nu kregen we onze chauffeur uitgelegd dat we foto’s wouden maken. Onze eerste mooie waarneming van de roadside hawk (Buteo magnirostris). Eens aangekomen konden we onze bagage in met airco uitgeruste kamers kwijt. Daarna besloten we de omgeving wat te verkennen. We hadden er natuurlijk niet bij stilgestaan dat we in het regenwoud waren, dus een half uurtje later kregen we onze eerste douche. Dit vonden we niet erg natuurlijk want een beetje verfrissing konden we wel gebruiken.
De volgende morgen besloten we om de trailcams op te hangen langs het paadje dat we verkend hadden. Onderweg kwamen we al een aantal mooie insecten tegen, alsook ons eerste kikkertje (voorlopig wel ondetermineerbaar, zoals de meeste soorten kikkertjes en padden). Hiermee werd het vooral duidelijk dat het enorm moeilijk zou zijn kikkertjes te zien, want dit diertje was amper 7mm groot … . Cameravallen
opgehangen keerden we terug naar het station. Waar ons een aantal prachtige vogeltjes tegemoet kwamen. Ondertussen hadden we ons een zeer gedetailleerde kaar van de omgeving en de trails kunnen bemachtigen en raadden ze ons aan richting de lagunes te wandelen. Zo gezegd zo gedaan. Tijdens de wandeling konden we onze ogen en oren niet geloven, zo een prachtige plantenwereld ondersteund door een orkest van vogels en vooral insecten. Zeer veel cicaden zongen ons de oren van de kop. Toch was het onmogelijk om deze beestjes te zien te krijgen. Daarom hebben we ons laten bijstaan door een insectenetend vogeltje (Blue–cheeked Jacamar (Galbula cyanicollis) dat voor ons kwam poseren, en kwam stoefen met een vers gevangen cicade!
Wat verder sprong ons een gigantische mier in het oog, de beruchte bullet ant (Paraponera clavata), waarvan gezegd wordt dat een beet zou aanvoelen als een kogel afgevuurd van op korte afstand. De pijn wordt beschreven als golven van branderige kloppende pijn die 24 uur onafgebroken aanhoudt. De Satere-Mawe stam uit Brazilië gebruiken de bullet ants als een deel van het initiatieritueel om een krijger te worden. De mieren worden hiervoor verdoofd en vervolgens met bladeren in een handschoen geweven in de vorm van een ovenwant. Wanneer de mieren terug bij bewustzijn komen moet de jongen de handschoen aandoen, waarbij het doel is de handschoen 10 minuten aan te houden. Na die 10 minuten is de hand en meestal een deel van de arm tijdelijk volledig verlamd door het gif, en schokt de volgende dagen oncontroleerbaar. Nu als ge dacht dat dit alles was … om volledig geïnitieerd te worden moet de jongen dit leed 20 keer ondergaan gedurende een aantal maanden. Het beestje wou echter niet stilzitten, en ik durfde het ook niet vragen stil te zitten, uit schrik voor de beet.
Wat later vond Frederik een gigantische omgevallen boom, die vanbinnen volledig uitgehold was door insecten en schimmels. Dit leek een ideale plaats voor zoogdieren om in te schuilen, dus zag Frederik zich verplicht om dit eens te proberen. Hierin verwachtten we ook schorpioenen, maar we vonden er helemaal geen. Wel stootte Frederik op een zweepstaart schorpioenspin (Orde Amblypygi). Een prachtig beest met gigantische ‘kaken’, vergelijkbaar met de poten van een bidsprinkhaan, waarmee ze hun prooien vastklemmen. Giftig zijn ze niet, maar ze kunnen wel enorm hard pitsen.
Nog opmerkelijk bij deze familie is dat de 2 voorste poten niet meer dienst doen als poten om voort te bewegen, maar extra receptoren hebben ontwikkeld, en slanker zijn geworden. Ze worden gebruikt als een soort voelspriet, waarmee ze hun weg en prooien kunnen detecteren in de donkere holen en grotten waar de beestjes in voorkomen. Verderop sprong een kikker voor ons weg, wat zijn aanwezigheid verraadde, want als hij niet had bewogen hadden we hem nooit gezien. Het valt op dat hier in het oerwoud echt heel veel dieren perfect in de omgeving opgaan. Dit heeft echter een heel eenvoudige verklaring, nl. door de hoge diversiteit aan beestjes in het regenwoud, is er ook een hoge diversiteit aan predatoren. Dit maakt het voor een bepaald dier enorm moeilijk tot onmogelijk om te bepalen welke predatoren er zijn en hoe ze zullen aanvallen. Daardoor is het de beste strategie om gewoon elk bewegend organisme met extreme voorzichtigheid te behandelen. De beste manieren om dus niet gedetecteerd te kunnen worden is om te lijken op achtergrond waar ge u als beestje bevindt, en om dan zo stil mogelijk te blijven zitten. Een dier dat deze strategie gebruikt wordt een cryptisch gecamoufleerd dier genoemd. Een andere strategie die ook dikwijls wordt gebruikt (vooral door reptielen) is wanneer er beweging waargenomen wordt om als dier aan de tegenovergestelde kant van het
object (vb. boom, takken, …) waarop je zit, te gaan zitten. Dit betekend dat als ge dicht genoeg bij zou zijn om het beestje te zien het allang aan de achterkant van de boom zit, waardoor het dus onzichtbaar is. Deze strategieën maken het in het oerwoud dus heel moeilijk om dieren te zien wanneer er door het bos gewandeld wordt. Terwijl ik een prachtige libel probeerde vast te leggen vond Frederik een mot op de stam van een woudreus. De vreemdste mot die we ooit gezien hadden dachten we hardop, wat we echter niet goed met het blote oog konden zien, maar wat duidelijk werd op de foto’s, was dat het beestje dood was en volledig overgroeid met een of andere schimmel. Terug op wandel hoorden we wat verderop geritsel tussen wat takken … . Hier kregen we ons eerste reptiel te zien! Een hagedisje (Forest whiptail, Kentropyx pelviceps)was hier koning te rijk. Niet
veel later kwamen we dan uiteindelijk aan bij de lagune. Waar we een aantal schildpadjes (vermoedelijk Podocnemis unifilis) zagen zonnen. Ook zwom er een hele groep kikkervisjes vlak voor onze voeten, omgeven door een aantal mooie visjes van een paar centimeters groot. Verder ontdekte Frederik ook nog een klein algenetertje. We besloten hier ook even te blijven zitten, omdat ons verteld werd dat de mysterieuze reuzenotter hier ook zou vertoeven. Na een tijdje te wachten met enkele vliegenvangers en libellen als gezelschap besloten we dat de otter niet zou koen opdagen en gingen we verder op onze
wandeling. Hierbij werden we achternagezeten door een prachtig vlindertje, dat tijdens de vlucht heel mooi gekleurd was, maar wanneer het ging zitten, nog zeer moeilijk te vinden was omdat dit zo goed als doorzichtig was. Een beetje verderop kwamen we dan langs de grootste boom die we ooit gezien hadden. Deze torende tientallen meters boven de rest van het bladerdek uit. Een beetje verder leidde het pad ons langs de rivier, waar we een aantal arrauschildpadden (Podocnemis expansa) van wel 40cm diameter zagen zonnen. De vrouwtjes van deze soort worden ongeveer 80 – 90 centimeter lang en 45 kilo zwaar, terwijl de mannetjes niet groter dan 40 – 50cm worden. Het
record staat op 107 cm, waarmee het de grootste soort moerasschildpad van Zuid-Amerika is. De beestjes werden geplaagd door prachtige vlinders die uit waren op hun oogvocht. Niet veel verder op het pad, trapten we bijna een woudschildpad (Geochelone denticulata) plat. Het is dus niet altijd verstandig te vertrouwen op de bescherming van een schild als er 2 biologen door het oerwoud lopen, die de boomtoppen afspeuren met de vr
aag waar dat vreemde geluid van komt. Dit mysterie werd niet veel later opgehelderd, we zagen door het bladerdek heen nog net een Roodkeelcaracara (Daptrius americanus) zitten. Het pad kwam iets verder uit op een kiezelweg aangelegd door de olieboorders. Hier werd nog verduidelijkt wat ons de hele tijd deed geloven dat er aapjes rondsprongen, … het vallen van gigantische bladeren… . Verder kwamen we nog wat prachtige vlinders tegen. Deze vonden het echter niet nodig van te poseren voor onze camera’s. Terug bij ons verblijf aangekomen ontdekten we onze huisspin, een prachtexemplaar van een vogelspin die blijkbaar boven de
deur woonde. Ook konden we eindelijk de veel voorkomende grote ani (Crotophaga major) vastleggen, alsook een aantal prachtig blauwe vogeltjes (Blauwgrijze tangara, Thraupis episcopus). Een beetje uitgerust vertrokken we op verkenning van een andere trail. Daarbij kwamen we zeer veel, toch wel grote spinnen tegen, alsook een nieuwe soort pad. Een beetje verderop besloten we door een gekapt stuk bos te wandelen, waarop we verschillende sprinkhanen ontdekte alsook ons eerste gifkikkertje! Dit waren pas aan land gekropen diertjes, die tot mijn verbazing al enorm konden springen. Het is
niet gemakkelijk om tussen bladeren en takken een kikkertje van ongeveer 6mm grootte te volgen, dat dan nog gigantische sprongen kan maken. Om een idee te krijgen van hoe klein 6mm eigenlijk wel is, … er kwam een rood miertje het kikkertje wegjagen. Ver boven ons kwamen we ook voor het eerst een zwaluwstaartwouw (Elanoides forficatus) tegen. Het begon al wat te schemeren, dus keerden we terug naar het station.
Dit stukje gekapt bos gaf ons een mooi zicht op hoge bomen,
waardoor we besloten om er ’s nachts te gaan spotlighten. Geen slecht plan bleek zo, want bijna onmiddellijk vonden we de eerste fonkelende oogjes. Een nachtzwaluw (Pauraque, Nyctidromus albicollis) had ons in de gaten, en ging er vandoor. Een paar meter verder hadden we opnieuw prijs, deze keer was het een slang, een tuinboa (Corallus hortulanus). Deze bleef per geluk wel rustiger zitten op zijn troon. Ons geluk kon niet op want een 50tal meters verder zagen we hoog in de boom opnieuw een paar oogjes fonkelen.
Deze keer was het een grijpstaartstekelvarken (Coendou prehensilis), een soort die rond het station zelden gezien werd. Nog wat verder sprong er in de boomtoppen nog een soort aapje weg, het was jammer genoeg niet mogelijk te zien welke soort dit was.
Wat ook voldoende aanwezig was waren grote spinnen, alsook gigantische hooiwagens waarvan de kaken even groot waren als het lichaam. Verder vond ik ook nog een prachtige, over de eieren wakende, bidsprinkhaan aan de
onderzijde van een blad. Terug aan het centrum vonden we nog een aantal padden in een plasje. We besloten om even te gaan schijnen over de rivier, maar voor we daar aankwamen stootten we opnieuw op een nachtzwaluw (Pauraque, Nyctidromus albicollis), die deze keer wel wat fotogenieker was. Bij het schijnen over het water zagen we in de verte nog een alligator op de oever, dit was echter te ver om in het donker naartoe te wandelen, tijd voor het bed dan maar.
Voor de volgende dag hadden we geregeld dat we met een gids door het bos gingen wandelen die ons zoveel mogelijk dieren ging laten zien. Hij sprak echter ook geen engels, maar om beestjes te zien maakt dat zoveel niet uit. We waren nog maar net op pad en we kwamen al een aantal kikkertjes tegen. Niet veel verder stootten we weer op een bullet ant (Paraponera clavata), die deze keer niet ging lopen maar ons bedreigde met open kaken. Niet veel verder stond een klein hagedisje op ons te wachten. We hadden gevraagd of de gids ons ook naar de toren zou leiden, en onderweg kwamen we hier sporen van pekari (ook wel navelzwijnen genoemd) tegen, terwijl op de achtergrond een specht zat te timmeren. Bij het beklimmen van de toren vonden mijn knieën het na het eerste platvorm al hoog genoeg, en ben ik dan ook maar teruggekeerd. Terwijl Frederik boven de prachtigste vogeltjes kon zien, had ik de tijd om nog wat interessante insectjes en een kikkertje te fotograferen.
Op de terugweg hoorden we de regen naderen, en besloot de gids even een soort afdakje te maken met 2 palmbladeren. Dit was verbazingwekkend snel en ook zo goed als droog. Prachtig toch wat die mannen kunnen met een minimum aan materiaal. Na de bui hoorden we overal in het bos de kikkers roepen, en kwamen we ook een aantal prachtige soorten tegen, terwijl in de boomtoppen de toekans en een Spix’s Guan (Penelope jacquacu) foerageerden. Hier kwamen we Allobates zaparo tegen (de niet giftige soort die de optische kopie
is, van het gifkikkertje Ameeraga bilinguis) een soort die ik zeker eens wou zien in zijn natuurlijke habitat. Terug in het station aangekomen stond ons nog een mooie verassing te wachten. De halftamme tapir (Tapirus terrestris) was met haar dochtertje op bezoek. Deze tatpirmoeder werd als jong grootgebracht door de Waoroni nadat haar moeder werd geschoten voor het vlees. Geregeld verven de wetenschappers hier een stip op een van de poten van de tapir, zodat de Waoroni duidelijk weten dat ze deze tapir zeker niet mogen schieten. De tapir is trouwens genoemd naar een Waoroni-meisje dat enkele jaren geleden in de rivier is verdronken. De Waoroni geloven dat iedereen na zijn dood reïncarneerd, en volgens de vader is het meisje in de tapir gereïncarneerd.
Na het ondergaan van de zon besloten we nog eens een nachtje te gaan schijnen. Nog voor we vertrokken waren kwamen we een van de vreemdste vogelspinnen tegen. Deze had precies een extra poot waarop een “gifangel” stond. Nu kwam een Nick (een amerikaan die onderzoek deed op een of ander padje) ons roepen, hij had een slang gevonden. Dit bleek een lanspuntslang (Bothrops atrox) te zijn, een van de giftigste uit het gebied. Biologisch gezien zijn het eigenlijk ratelslangen zonder ratel,
maar met een vergelijkbaar vergif. Een beet dient dan ook te allen tijde vermeden te worden; deze is onbehandeld vaak dodelijk, en een beet veroorzaakt zelfs na behandeling ernstige zwellingen. Omdat deze slang nog algemeen voorkomt en ook nog eens vrij agressief is, is hij jaarlijks verantwoordelijk voor enkele tientallen doden. De rest van de nachtelijke tocht was wat teleurstellend, op een nachtzwaluw (Pauraque, Nyctidromus albicollis) en een kikkertje na hebben we niet veel gezien.
Voor de volgende dag hadden we een boottripje naar een papegaaienlekplaats
geregeld, want dit wou Frederik als papegaaienliefhebber zeker gezien hebben. Tijdens de afvaart werd duidelijk dat het gebied waar we verbleven een gebied was dat regelmatig overstroomde. Dit was zeer goed te zien in gelaagde structuur van de ondergrond, gevormd door bladeren en slib. Een beetje later zagen we in de verte een groep ‘grijsgroene doodshoofdaapjes’ (Saimiri sciureus) foerageren in de toppen van de bomen. Deze keer was het wel licht genoeg en konden we zelfs een foto bemachtigen. Onderweg kwamen we ook verschillende kingfishers tegen, een vinpootfuutkoet (Heliornis fulica) alsook een luidkeelsroepende Roodkeelcaracara (Daptrius americanus), die we deze keer beter te zien kregen dan op onze eerste wandeling. Een beetje later trok de hemel ook wat open, wat ons het gevoel gaf dat we een
prachtige dag vol verassingen tegemoet gingen. Niet veel later dan we waren aangemeerd in de buurt van de lekplaats hoorden onze gidsen een koppeltje goudmanteltamarin (Saguinus tripartitus). Na wat sluipwerk en lokroepen van de gidsen konden we ze nog net door het dichte bladerdek zien, voordat ze verdwenen als sneeuw voor de zon. Aangekomen aan de lekplaats hoorden we boven ons geritsel en merkten we een groepje brulapen (Alouatta seniculus) op die zich uit de voeten maakten. Nog net konden we een aantal fotos maken van
deze prachtige dieren. Volgens de gidsen zat er ook een wolaap tussen de groep, maar deze hebben we niet kunnen zien. Papegaaien hebben we ook niet goed kunnen zien, wel vlogen er een paar over, en zat er een hele troep kleine parkietjes in de boomtoppen, maar dat was buiten bereik van verrekijker en camera. De gidsen vertelden dat het beter was om papegaaien te zien in het drogere seizoen, omdat de vogels nu overal water konden vinden. In het beekje dat de lekplaats voedde vonden we ook nog een mooie vis.
Een beetje teleurgesteld maar toch zeer tevreden met het zien van 3 soorten apen keerden we terug richting de boot. De zon stond nu al heel hoog in de hemel wat er voor zorgden dat het in het bootje gezellig warm werd. Plots zag Frederik in een boomtop iets met een staart … Macaws, klonk het toen, geelvleugelara´s (Ara macao)! Dat maakte het zweten in het bootje ineens weer goed, toch nog papegaaien gezien, weliswaar van redelijk ver, maar we mogen niet klagen. Onze bootreis was bijna afgelopen toen we nog een slanggennekvogel opmerkten.
Na het middagmaal was het opnieuw tijd voor een wandeling. Deze keer nog eens zonder gids.
Wa waren nog niet goed vertrokken of we zagen al meteen opnieuw een koppeltje goudmanteltamarins! Deze lieten zich echter totaal niet fotograferen. Het leek wel aapjesdag in het oerwoud want geen 100m verder kwamen we een groepje bruine wolapen (Lagothrix poeppigii) tegen. Deze lieten zich iets beter zien, maar lieten ook duidelijk merken dat we niet gewenst waren, want we werden bekogeld met takken. Omdat het al wat donkerder werd besloten we naar een zandstrandje te gaan in de buurt van het station, in de hoop er een alligator te vinden. Het strandje leek een ideale plaats om te zwemmen in de rivier, maar dat zwemmen werd ons afgeraden. Niet door de aanwezigheid van piranha’s zoals vele zullen denken, maar doordat er stekelroggen (Myliobatoidei)zaten. Deze houden zich schuil in de ondiepe flanken van de rivier, waarover gewandeld moet worden om in het diepere water te komen. Hierbij is het gevaarlijk omdat die roggen bijna niet zichtbaar zijn, en er dus bovenop wordt getrapt. Uiteraard vinden die beestjes dat niet fijn en geven ze een zeer pijnlijke (tot zelfs dodelijke) steek.
En als ons dat niet zou afschrikken waren we verplicht een reddingsvest te dragen omdat er toch nogal wat stroming op de rivier zat. Na een paar minuutjes te genieten van de rust en de geluiden op het strandje zagen we aan de overkant van de rivier opnieuw doodshoofdaapjes (Saimiri sciureus) in de bomen. Deze lieten zich zeer mooi zien, maar zaten redelijk ver af. Gespijsd door het idee dat er aan de overkant van de rivier niet gejaagd werd omdat dit een gebied was van een andere stam die een heel stuk verder zat besloten we een gids te vragen die ons daar kon rondleiden, in de hoop meer groot wild te zien. Op de terugweg naar het station, kwamen we nog een lanspuntslang (Bothrops atrox) tegen. Deze liet zich nog juist fotograferen alvorens te dreigen en er vandoor te gaan.
De volgende morgen hadden we besloten zeer vroeg op te staan en naar de lagunes te gaan in de hoop de reuzenotter te zien. Op onze eerste uitkijkpost konden we genieten van het gezang van een aantal vogels, alsook de waarneming van de hoatzin (Opisthocomus hoazin) , die in de verte kwam drinken. Verder zagen we ook een aantal visjes, en merkte ik ineens een vreemde en gigantische vis van wel 2 meter lang op. Vermits ik in de modder zat kon ik jammer genoeg niet rechtstaan om een duidelijkere foto te nemen, en vrees ik dat we de vis ‘Nessie’ moeten dopen. Voor de rest zagen
we ook nog een aantal pirarucu’s (Arapaima gigas) die af en toe lucht kwamen happen. Omdat we iets zwaluwachtigs zagen landen op de achterzijde van een boomstam die over het water lag, besloot ik deze wat dichterbij te gaan bezoeken. Eenmaal daar aangekomen zag ik helemaal geen zwaluwtjes zitten, en na heel wat ploeteren door modder en kruipen door bestekelde palmbladeren, kon ik dicht genoeg komen om 2 snoetjes onder de boomstam te zien. Helemaal geen zwaluwtjes dus, maar piepkleine vleermuisjes.
Terug naar onze eerste uitkijkpost, want van daaruit zou een beter zicht moeten zijn. Jammer genoeg kon ik niet dicht genoeg geraken, en werd het tijd voor het statief en de 2x extender lens. Niet gemakkelijk een statief stabiliseren in de modderige oever van de lagune. Uiteindelijk besloten we dat we het daar wel gezien hadden en besloten we iets verderop op een andere uitkijkpost te gaan wachten. Onderweg kwamen we een kikkertje tegen en een hagedis (Norops nitens scypheus), die echt perfect opging in de omgeving. Door gezichtsbedrog leek zijn staart op een golvend blad, en zijn rug leek op overlappende bladeren. We hadden hem no
oit gevonden als hij niet van het pad afsprong, en dat wist hij maar al te goed want hij bleef roerloos zitten, waardoor ik hem mooi kon fotograferen. Aangekomen op onze uitkijkpost, moesten we niet lang meer wachten tot we het eerste hoofdje van een reuzenotter (Pteronura brasiliensis) zagen bovenkomen. Hij zwom jammer genoeg van ons weg, maar dat duurde niet lang. Een beetje later kwam hij met 3 anderen teruggekeerd, tot ze ons opmerkten en ze ons kwamen wegjagen. Dat leverde een van de mooiste waarnemingen
van reuzenotter op, ze naderden tot minder dan 4 meter, lieten hun tanden zien, en bliezen in het water. Omdat we geen dreigende bewegingen maakten, en niet weggingen vonden ze het genoeg geweest en zwommen weg. In de hoop dat ze nog eens terug zouden komen bleven we nog even wachten. Hierbij merkten we een 4tal vleermuisjes op, aan de onderzijde van een tak die boven het water uitstak. Nog iets later werden deze nog vergezeld van een kingfisher, wat wel een mooi zicht was. Na nog eenhalf uurtje te hebben gewacht besloten we dat de otters niet gingen terugkomen
en keerden we terug naar het station. Onderweg kwamen we nog een jong padje en een kikkertje tegen dat juist zijn dikkopjes had afgezet in een plasje. Terug aangekomen besloten we om de cameraval te controleren op nieuwe filmpjes. Nog maar net vertrokken hoorden we vlak boven ons in de boom een enorm geritsel, … ons 5de soort aapje de ‘Dusky Titi Monkey’ (Callicebus discolor)!
De volgende morgen maakten we ons dan klaar om met een gids de overkant van de rivier te bezoeken, en Frederik had er duidelijk zin in. Toen we werden voorgesteld aan onze gids (Kai) wisten we niet goed hoe de wandeling ging aflopen … . Hij sprak maar een paar woorden spaans, wat het zeer moeilijk maakte om uit te leggen wat ons doel was. Uiteindelijk deed hij toch alsof hij het begreep en sprongen we in de 4×4 richting een boorinstallatie vanwaar de gids een oud pad wist. Bij deze installatie was een watervoorraad waar een steltloper zich ophield. Nog maar net vertrokken merkten we dat het een heel oud pad was, en hoopten we dat de gids zijn navigatie in het bos
nog niet verleerd had. Een beetje verderop kwamen we een prachtige rups tegen in de buurt van het enorme nest van een kolonie leafcutter ants (Is een verzamelnaam van 47 soorten mieren, dus een juiste benaming kan ik niet geven). Dit was een gigantisch en ingenieus bouwwerk met verluchtingsgaten en alles erop en eraan, waar de mieren bladmateriaal naartoe brengen om de schimmel te voeden waarvan ze leven. Terug vertrokken hoorde de gids iets in de boom, verder sluipend zagen we een koppel kapucijnapen (Cebus albifrons) , weer een nieuwe soort voor ons! Ze
waren echter zeer schuw en hebben ze dan ook maar heel vluchtig gezien. Niet veel verder hoorden we een groep wolapen in de boomtoppen, en probeerden we dichterbij te sluipen. Tijdens dit sluipen merkten we een klein hertje (rood spieshert, Mazama americana)op, dat het onmiddellijk op een lopen zette. De wolapen kregen we niet echt goed in het zicht, want ze hadden ons ook in de gaten. Wat verder kwamen we nog een groep van 20 of 30 doodshoofdaapjes tegen die zich tegoed deden aan de rijpe vruchten hoog in de boom. Jammer genoeg hadden ze ons ook opgemerkt en gingen ze der ook meteen vandoor. Op dat moment gebruikte de gids 2 van de 10 woorden spaans die hij sprak: “mas of camino”. Wat volgens de gebaren zoveel betekende of we nog verder wouden doorlopen of terug naar de weg gaan. We hadden nog wat extra tijd dus gingen we maar verder. Dit tot groot plezier van de gids, want we kwamen langs een boom waarvan de rood/zwarte zaadjes gebruikt werden om halskettingen van te maken. We hebben dan ook maar een kwartiertje helpen rapen. Iets later was het dan etenstijd, waarbij we wat tijd hadden om even in het boek te kijken welk soort hertje we gezien hadden. Frederik vroeg ter bevestiging aan de gids met een aanduiding in het boek of dat de soort was die we gezien hadden. Kai bekeek het boek, nam het aan en draaide het onderzoekend in alle richtingen, bladerde een beetje en bekeek de rug … . Hij had dus duidelijk nog nooit een boek gezien, want hij gaf het terug met een glimlach en een knik. Geen idee dus of het de juiste soort was. Op dat moment sprong er weer een minikikkertje in mijn zicht. Ik nam er een foto van en liet het zien aan Kai, deze moest hard lachen en was echt verwonderd dat ik zo een klein diertje zo groot kon maken op dat vreemde ding in mijn handen. Dat was voor ons natuurlijk ook lachen geblazen.
Maar uiteindelijk beseften we toch dat dit ook een beetje jammer was. De jongere generaties gaan allemaal de steden in om hun te bezatten en om inkopen te doen. De Woarani leven dus niet volledig meer van het bos, waardoor veel van hun kennis en cultuur verloren gaat. Wie weet wat voor nuttige kennis over geneeskrachtige planten enzovoort er verloren gaat. Op de terugweg kwamen we nog een zeer klein bidsprinkhaantje tegen, alsook vreemde verharde modderbanen op de boomstammen. Na het openen van zo een baan bleken dit ingekapselde autostrades van termieten, naar hun nest hoog in de boom. Bij het oversteken van de
laatste beek zagen we nog juist een kikkertje wegspringen. Omdat we nog wat tijd overhadden bij aankomst aan de boorinstallatie hebben we nog een kwartiertje in het bos rondgedwaald en vonden we nog een paar mooie insecten, spinnen, een padje en kikkertjes. Verder vonden we nog een Zwarte caracara (Daptrius ater) en een handgrote rups volledig bedekt door haartjes. Toen we ‘vroegen’ of
die haartjes irriterend waren, konden we aan de expressie op het gezicht van de gids aflezen dat we er best niet aan konden komen. ’s Avonds kwam Nick ons weer halen met de melding dat er een tuinboa (Corallus hortulanus) gevangen was en dat ze die in een lab hadden. Tijd voor een fototje dus!
De volgende morgen besloten we weer naar de lagunes te wandelen, in de hoop nog een glimp op te vangen van de otters. Jammer genoeg geen otters te bespeuren maar wel een aantal zwaluwstaartwouwen (Elanoides forficatus), een grote kingfisher en een zwarte gier (Coragyps atratus) redelijk mooi te zien gekregen.
Terug aan het station vonden we nog een prachtexemplaar van de ‘gouden zijdespin’ (Nephila clavipes), soms ook wel verkeerdelijk de bananenspin genoemd. Het web van een volwassen vrouwtje kan tot 1m doormeter groot zijn, en de zijden draden kleuren goudachtig in het zonlicht. Het zijde is enorm sterk en wordt niet afgestoten door het immuunsysteem, en wordt regelmatig gebruikt in wetenschappelijke experimenten, zelfs bij regeneratie van het zenuwstelsel van zoogdieren. We hadden nog een paar uurtjes over voor het avondeten, en Frederik ging die invullen in de hangmat, een welverdiende rust vond hij. Ik daarentegen had nog wat energie in de benen, en besloot nog een korte wandeling te doen op een trail die we nog niet gevolgd hadden. Hierop kwam ik een paar prachtige insecten en kikkertjes tegen alsook een leger ‘soldier ants’ (Eciton burchellii). Deze mieren zijn berucht omdat ze
alle levende dieren in stukken bijten die ze tegenkomen op hun pad, ongeacht de grootte. Deze kolonies mieren (tot een miljoen individuen) hebben geen vaste nestplaats, maar zijn voortdurend op pad. Ze kamperen lang genoeg op een plaats zodat de koningin genoeg eieren kan leggen om de populatie aan te sterken. Dit terwijl het leger op zoek gaat naar voedsel, waarbij ze alles wat ook maar beweegt dus in stukken rijten. Er zijn zelfs verhalen dat paarden werden overvallen door een leger en daarbij volledig uiteen werden gescheurd, maar of deze waar zijn dat is maar de vraag natuurlijk. Er is een Amerikaans onderzoek dat heeft uitgewezen dat een kolonie per uur ongeveer 3000 invertebraten verslindt. Indien nodig vormen de werkers ook een levende brug zodat de andere individuen sneller op hun plaats kunnen geraken.
Niet wetend hoever ik nog van het station af was, begon het toch al een beetje donker te worden. Natuurlijk had ik ook geen hoofdlamp bij dus daarna heb ik een iets hoger
tempo aangehouden. Toch merkte ik plots nog een voetafdruk van een katachtige op! In het midden van het pad stond in de modder een nog redelijk verse afdruk waarvan de grootte suggereert dat dit van een grote kat is. Het beestje zelf hebben we jammer genoeg niet kunnen vinden. Die avond had Nick beloofd dat hij ons naar een moeilijk te bereiken moeras zou leiden, waar volgens hem veel kikkers zaten. Onderweg kwamen we op de kiezelweg al een makikikker (Phyllomedusa vaillanti) tegen. Een zeer vreemde plaats om zo een diertje te vinden, maar hij liet zich wel mooi fotograferen. Bij het moeras aangekomen vonden we eerst een paar zeer mooie insecten, waaronder een wants van ongeveer
4cm groot. Het kikkerconcert was bijna oorverdovend, en het was duidelijk dat hier veel kikkers zouden zitten. Toch waren deze zeer moeilijk te vinden. Toen viel in de verte plots een fonkelend oog van een boomkikker op. Niet veel later kwamen we dan opnieuw een makikikker (Phyllomedusa vaillanti) tegen. Ineens viel mijn oog op een hagedis (vermoedelijk Tropidurus umbra)die 3 meter hoger in een boom lag te slapen. Nick was hierdoor zo geïntrigeerd dat hij ernaartoe klom en hem ving. Het beestje verdedigde zich goed door flink te bijten en hard de schudden met zen lijf om proberen te ontsnappen. Maar uiteindelijk werd hij wat rustiger en konden we wat fotos nemen. Niet veel later stak de wind op en begon het hard te grommelen, tijd om terug te keren dus. We waren nog maar net binnen of het onweer brak los.
De volgende en tevens laatste morgen trokken we weer vroeg naar de lagunes in een laatste poging de reuzenotters nog eens te zien. Het had de hele nacht door geregend en het was nog niet gestopt, waardoor de paadjes er erg modderig bijlagen, maar dat deerde niet. Aangekomen op onze uitkijkpost kon het wachten beginnen. Onze getrouwe visjes waren weer talrijk aanwezig, maar deze keer waren ze vergezeld van een aantal soorten die we nog niet gezien hadden. Zo zaten er deze keer ook een paar soorten dwergchicliden, zoals een antennebaarsje (Microgeophagus
ramirezi) met jongen en een Apistogramma (Mogelijk Apistogramma agassizii) soort. Ook was er een kolibrie die de hele tijd in de buurt zat, en telkens terugkeerde naar een palmblad. Vermits er geen nectar groeit aan palmbladeren moest er iets anders gaande zijn, dus gingen we een beetje dichterbij, en werd het duidelijk dat het vogeltje hier een nest bouwde. Na nog een half uurtje wachten besloten we dat de otters niet meer gingen komen, en bliezen we de aftocht. Toen merkten we echter dat onze jassen en tassen overrompeld werden door mieren, en kon het gevecht
beginnen. Toen we dachten alle mieren verwijderd te hebben zijn we vertrokken, maar konden we dus onderweg regelmatig nog eens slaan en schudden omdat we weer gebeten werden door een achterblijver. Iets later vonden we langs het pad nog een gifkikkertje (Ameeraga hahneli) waarvan de rug volledig was volgeladen met dikkopjes. Vermits het onze laatste dag in Yasuni was moesten we ook de cameraval terughalen. Hierop waren nog een aantal mooie filmpjes te zien van een loopvogel (Gray–winged Trumpeter, Psophia crepitans) , pekari’s, en een opossum. Jammer genoeg geen jaguar … .
Omdat het een grijze bewolkte dag was besloten we om de lichtste plaats van het bos op te zoeken, nl. de kiezelweg, en deze een stuk te volgen met als doel nog een aantal vogels te zien. Geen slecht plan bleek later, want niet veel verder kwamen we al een specht tegen hoog in de boom. Ook landde er een groep toekans (bestaande uit 2 soorten) niet ver van ons af. In diezelfde boom zaten toevallig ook nog 2 goudmanteltamarins (Saguinus tripartitus) en een blauwkeelgoean (Pipile pipile). Op de weg kwamen we ook nog een platgereden slang (vermoedelijk een Oxybelis sp.) in een laatste wanhoopspoging
besloten we toen toch nog terug te wandelen naar de lagunes, want wie weet zijn de otters daar! Jammer genoeg niet dus … Wel hadden we weer een paar mooie vogeltjes gezien, en een dikke kever. Op de terugweg keken we nog eens in een hol onder een boomstam waar we nog eens een prachtexemplaar van een zweepstaartschorpioenspin tegen kwamen.
Aan alle mooie sprookjes komt een einde alsook dus aan ons verblijf in het Yasuni Reseach Station. De volgende morgen moesten we om 6 uur klaarstaan met onze koffers gepakt. Niet zo eenvoudig blijkbaar, want bij elke vakantie worden kleren groter wanneer ze terug ingepakt moeten…
Met een klein beetje vertraging konden we dan toch de 4×4 in richting onze overzetboot. Onderweg kwamen we nog een hert tegen dat stond te grazen langs de weg, maar de camera’s waren natuurlijk goed ingepakt. Een tijdje verder kwamen we ook nog een roofvogel tegen, maar ook deze wist onze camera te ontwijken. Aangekomen aan de overzetplaats kon onze bagage weer blootgesteld worden aan de rituele bestraling. Weer piepend door de metaaldetector mochten we richting de boot wandelen. Door de hevige regen van de afgelopen dagen stond de rivier 3 meter hoger wat de overzet iets spannender maakte door het turbulente water. Veilig en wel aan de overkant stond onze taxi weer braaf te wachten. Tegen dan waren de vloeistoffen al redelijk ver door mij uitgezakt, maar de toiletten waren pas in de luchthaven anderhalf uur verder … . Proberen aan iets anders te denken was dus de boodschap. Gelukkig zagen we nog een aantal mooie vogeltjes en een paar groepen gieren. Maar nu kwam echter het niet verharde deel van de weg, door de hobbelige baan die collaboreerde met de zwaartekracht stond het water me al tot aan de oren. Dan maar proberen duidelijk te maken dat de taxi even moest stoppen langs de weg, maar zo zonder spaans lukte dat moeilijk. Op de tanden bijten dan maar. Een tiental minuten later zag ik het water klotsen in men ogen en heb ik gezegd dat hij moest stoppen, gevolgd door een zalig makende wildplas. Nu was het de chauffeur duidelijk geworden wat ik eigenlijk bedoelde. Verder naar de luchthaven dan maar. Daar aangekomen hebben we ons ingecheckt en we hadden nog wat tijd dus konden we weer iets gaan eten. Als goede vegetariërs bestelden we elk een bord chickenwings en chickennuggets en dronken daarbij een frisse pint in een voorgekoeld glas. Iets later was het weer tijd voor de volgende bestraling van onze bagage en konden we het vliegtuig in. Deze keer een iets groter toestel, maar daarom niet minder gezellig. Terug in Quito stond ons transport richting het hotel met onze overschotbagage al weer op ons te wachten. Die bagage hebben we vlug in de auto gegooid en we vertrokken richting hotel Folklore waar de rest van de expeditie ons stond op te wachten.
























































